Onderzoeksrapport

Hier staat een standaard indeling voor een sociaalwetenschappelijk onderzoeksrapport. Het voorbeeld onderzoeksrapport heeft de meest gangbare hoofdstukken en per hoofdstuk is het doel van het hoofdstuk beschreven en wat er in dat specifieke hoofdstuk thuishoort. Klik op de hoofdstuktitels en je krijgt de inhoud te zien. Helemaal onderaam deze pagina staat een download link. Hier kun je gratis een Word template downloaden met daarin alle informatie van deze pagina. In dat bestand is aangegeven welke kopjes je kunt laten staan, welke zaken je moet aanpassen voor jouw onderzoek en ook geven we uitleg. Bovendien is geven we per hoofdstuk tips en veelgemaakte fouten.

Samenvatting

Het onderzoeksrapport begint met een samenvatting. Doel van de samenvatting is een beknopte weergave van de inhoud. In deze samenvatting komen de belangrijkste onderwerpen van het rapport aan bod. Dat zijn in ieder geval de aanleiding en context van het onderzoek, de onderzoeksvraag, de methode en respondenten, de belangrijkste resultaten, conclusies en aanbevelingen.

In een onderzoeksrapport is soms ook een "Management Summary" of "leesvervangende samenvatting" opgenomen. Deze is aanmerkelijk langer en bevat uitgebreide rapportage van de belangrijkste inhoud van het onderzoeksrapport. Vaak is de leesvervangende samenvatting bedoeld voor bestuurders en ligt derhalve de nadruk op de resultaten, conclusies en aanbevelingen.

Afhankelijk van de doelgroep kan ook een Engelstalige (of in andere taal) samenvatting worden opgenomen.

Voorwoord

Doel van het voorwoord is een persoonlijke inleiding van het rapport. In het voorwoord mag dan ook een persoonlijke noot worden opgenomen ten aanzien van het onderzoek. De onderzoeker kan beschrijven in welke context het onderzoek is uitgevoerd (bijvoorbeeld in een onderzoekslijn van de organisatie of voor een vak in de opleiding).

Het voorwoord is de enige plek in het onderzoeksrapport waar de ik-vorm of wij-vorm is toegestaan.

Op deze plek kunnen ook dankbetuigingen aan het adres van de opdrachtgever (Wij bedanken XX voor het in ons gestelde vertrouwen en tevens bedanken we XX voor het flexibel omgaan met de deadline) of derden (Ik wil XX graag bedanken voor de hulp met het invoeren van de vragenlijsten).

Naam onderzoeker
Plaats, datum

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave met verwijzingen naar alle hoofdstukken en paragrafen. De inhoudsopgave mag maximaal over 2 pagina's uitgesmeerd zijn. Ga dus niet kopjes op het derde niveau opnemen in de inhoudsopgave.

Let op: het kopje "inhoudsopgave" hoort niet thuis in de inhoudsopgave. Kopjes voor de inhoudsopgave (in casu "voorwoord") mogen wel in de inhoudsopgave, maar dat hoeft niet.

1 Inleiding

Dit is het eerste hoofdstuk met nummering (Hoofdstuk 1). In dit hoofdstuk wordt uiteengezet waarom dit onderzoek is uitgevoerd. De inleiding wordt soms ook "Aanleiding" genoemd.

De inleiding geeft een motiverende uiteenzetting van het onderwerp en nodigt de lezer uit om verder te lezen. In de inleiding kunnen ook "praktische relevantie" en "theoretische relevantie" aan bod komen.

De inleiding bevat ook de probleemstelling en eventueel de onderzoeksvraag. Het ligt voor de hand om alleen de hoofdvraag te presenteren (die logisch kan volgen uit de besproken elementen uit de inleiding). Als de onderzoeksvraag echter nauw aansluit bij de theoretische bronnen, dan kan de onderzoeksvraag beter na dat hoofdstuk aan bod komen.

2 Theorie

In dit hoofdstuk komt de theorie aan bod. Zorg voor een logische redeneerlijn die vaak breed begint en eindigt in het specifieke onderwerp van het onderzoek.

Verwijs naar relevante literatuur. Meestal wordt de literatuur opgenomen in de literatuurlijst (soms met voetnoten). Er zijn verschillende referentiestijlen, maar meest gangbaar is de APA-stijl. Zie voor verdere uitleg over referenties het hoofdstuk Literatuurlijst.

Om een mooie overgang te maken naar het Methode-hoofdstuk is het mogelijk om het theoretisch hoofdstuk af te sluiten met een onderzoeksmodel.

2.1 Inhoudelijk kopje

Geef inhoudelijke kopjes aan de paragraaftitels. Zo is "Internetgebruik in Nederland" een beter kopje dan "Relevante inzichten".

2.2 Onderzoeksvraag

Hier presenteer je de onderzoeksvraag. Indien er op basis van de literatuur nog geen verwachting kan worden gegeven ligt een onderzoeksvraag voor de hand.

Bijvoorbeeld

"In hoeverre heeft productverpakking invloed op aankoopgedrag?"

Hieronder kunnen subvragen vallen, zoals:

"In hoeverre heeft kleur op de productverpakking invloed op aankoopgedrag?"
"In hoeverre heeft een "ik kies bewust logo" op de productverpakking invloed op aankoopgedrag?"
"In hoeverre heeft een afbeelding van het product op de productverpakking invloed op aankoopgedrag?"

In bovenstaand voorbeeld vallen de drie subvragen in de hoofdvraag en dekken de drie subvragen blijkbaar de breedte van het onderzoek af. Het is niet correct om bij bovenstaande hoofdvraag de subvraag "In hoeverre wordt een blauwe verpakking als betrouwbaar gezien?" op te nemen.

Afhankelijk van de literatuur kunnen onderzoeksvragen ook als hypothese geformuleerd worden. Hypotheses worden gebruikt indien de literatuur al een bepaalde richting heeft EN als het onderzoeksdesign het gebruik van hypotheses toelaat. Een hypothese wordt getoetst (verworpen of bevestigd). Daarom zijn 'zachte onderzoeksmethodes' minder geschikt om hypotheses te gebruiken. Andersom geformuleerd, als de literatuur al hypotheses uitlokt, dan is het vreemd om onderzoek op te zetten met bijvoorbeeld interviews als methode. Een voorbeeld van een hypothese is:

"Een afbeelding van het product op de verpakking leidt tot een hogere aankoopintentie"

Er bestaan veel soorten onderzoeksvragen en het gebruik en de formulering hangen ook af van de smaak van de onderzoeker. Soms blijven onderzoekers met hun hoofdvraag "dicht op" het onderzoek, soms kiezen ze een meer algemene formulering.

ALGEMENE TIPS EN VEELGEMAAKTE FOUTEN THEORIEHOOFDSTUK
  • Begin elk hoofdstuk altijd met een inleiding en niet direct met een paragraaf-kopje
  • Nummer maximaal door tot het derde niveau, maar liever tot het tweede niveau. Dus 2.1.1 en 2.1.2 is maximaal.
  • Wil je onder het derde niveau structuur aanbrengen doe dat dan met onderlijnde kopjes, of schuine kopjes.
  • Zorg ook voor een balans in structuur en subparagrafen. Dus niet bij 2.1 helemaal uitweiden en dan bij 2.2 alleen 1 alinea.
  • Bespreek 1 thema per alinea. Het moet voor de lezer ook duidelijk zijn wat de kern van die alinea is.
  • Zorg voor een duidelijke redeneerlijn. Op basis van de kopjes moet de auteur de redeneerlijn kunnen navertellen.

3 Methode

Korte inleiding, vooruitblik op het hoofdstuk. Doel van dit hoofdstuk is om duidelijk te maken WAT je hebt gedaan (procedure), WAARMEE je dat hebt gedaan (instrument) en bij WIE je dat hebt gedaan (respondenten / proefpersonen).

Geef in deze inleiding kort de doorloop van het onderzoek weer.

Vanaf hier is het onderzoeksrapport ook geschreven in de verleden tijd. Het onderzoek is uitgevoerd. Soms worden stukken tekst uit een onderzoekplan (geschreven in de toekomende tijd) gekopieerd naar deze plek in het rapport, let op dat de formulering dan aangepast moet worden naar de verleden tijd.

3.1 Vooronderzoek

Indien een vooronderzoek is uitgevoerd beschrijf dan hier wat je hebt gedaan. Besteed aandacht aan de procedure, de respondenten, de middelen die gebruikt zijn en de resultaten. Beschrijf kort welke implicaties het vooronderzoek heeft gehad voor de ontwikkeling van het definitieve onderzoeksinstrument. Normaal gesproken is de beschrijving van het vooronderzoek ongeveer 1-2 A4. Het verslag kan in de bijlagen van het onderzoeksrapport.

3.2 Instrument

Hier beschrijf je het instrument dat gebruikt is. De lezer krijgt inzicht in de precieze samenstelling van het instrument, inclusief achtergrondkenmerken.

Illustreer ook met voorbeelditems of voorbeeldvragen hoe het instrument er uit zag. Het complete instrument staat meestal in de bijlagen.

Eventueel worden hier al Cronbach's alpha's gerapporteerd (bij vragenlijst). In dat geval vervalt paragraaf 4.1.

3.3 Steekproef en Respondenten

Hier komt de beschrijving van de respondenten (sommige onderzoekers doen dat in hoofdstuk 4, echter dit heeft de voorkeur, ook omdat er vaak al veel resultaten in H4 gepresenteerd worden). Bij experimenteel onderzoek spreek je van proefpersonen in plaats van respondenten. Geef een overzicht van de achtergrondkenmerken van de respondenten. Beperk je in ieder geval tot de relevante achtergrondkenmerken. Als de onderzoek bijvoorbeeld naar "geloofsovertuiging" heeft gevraagd, maar verder in het rapport doet de onderzoeker daar niets meer mee en het is ook niet relevant voor representativiteit, dan hoeft het niet vermeld te worden. Volgen er echter wel analyses tussen groepen met een verschillende geloofsovertuiging dan doet u er goed aan hier alvast een overzicht te geven.

Beschrijf ook de populatie (bijvoorbeeld 5000 mensen van 60+ in de gemeente), de bruto steekproef (1200 brieven verstuurd), de netto steekproef (20 brieven niet aangekomen), bruto respons (500 vragenlijsten retour) en de netto respons (400 vragenlijsten bruikbaar voor analyse). Geef representativiteit van de steekproef (power-analyses).

Beschrijf hier ook de non-respons. Zijn de achtergrond kenmerken van de respondenten van de 500 vragenlijsten retour en die van 400 bruikbaar gelijk aan de 700 mensen die niet gereageerd hebben?

3.4 Procedure

Hier staat de onderzoeksprocedure, dus dat wat bij de proefpersonen is gedaan. Beschrijf hier waar het onderzoek is gehouden, hoe proefpersonen zijn geworven, wat precies is gezegd en of respondenten een beloning hebben ontvangen voor hun inspanningen.

3.5 Annalyse

Korte beschrijving van de analyses die zijn uitgevoerd. Hierbij hoeven niet alle details genoemd te worden, maar wel een beknopte beschrijving van gebruikte analyse software (SPSS, SAS) en welke analyses er op de gegevens zijn uitgevoerd, of bij kwalitatieve analyse de aanpak (coderingen, handmatig, Excel, AtlasTi).

4 Resultaten

4.1 Betrouwbaarheid van instrument

In de eerste paragraaf van het resultatenhoofdstuk behandel je de betrouwbaarheid van het gebruikte instrument. Bij kwantitatief onderzoek (bv. vragenlijst) ligt betrouwbaarheidsanalyse m.b.t. Cronbach's alpha voor de hand. Hierbij beschrijft u in hoeverre de verschillende vragen binnen een construct daadwerkelijk hetzelfde meten. In een tabel kan dit zo worden weergegeven.

Tabel X: betrouwbaarheid vragenlijst
ConstructnaamCronbach's alphaAantal itemsItems verwijderd
Construct 10,8550
Construct 20,7941
Construct 3*0,3550
*construct niet betrouwbaar, items zullen separaat worden geanalyseerd

In de tekst wordt Cronbach's alpha zo weergegeven. Het eerste construct is betrouwbaar (a = 0,85). Meestal wordt 0,70 als ondergrens van betrouwbaarheid gehanteerd.

Bij kwalitatief onderzoek (bv. interviews, focusgroepen) dient ook kritisch naar aspecten van betrouwbaarheid worden gekeken en dient de onderzoeker daar iets over te zeggen. Voor de hand ligt om een deel van de codering van interviews door een tweede codeur te laten doen. In dat geval rapporteert de onderzoeker een Cohen's kappa (in de tekst).

4.2 Algemene resultaten

Rapportage van de resultaten van alle respondenten. Algemene, holistische beschrijving.

Verschillen tussen groepen

Hier wordt gerapporteerd of verschillende respondentgroepen andere antwoorden hebben gegeven.

Toetsen zijn afhankelijk van het meetniveau en het aantal respondentgroepen. Bij parametrische (normale) verdelingen en twee (onafhankelijke groepen) gebruik je T-toesten. Bij drie of meer groepen ANOVA met post-hoc LSD of Bonferroni.

4.3 Verklarende Variabelen

Hier wordt de relatie tussen constructen (correlatie) of verklarende variabelen weergegeven (regressie).

ALGEMENE TIPS EN VEELGEMAAKTE FOUTEN RESULTATENHOOFDSTUK
  • Rapporteer in dit hoofdstuk alleen de droge resultaten. Ga niet interpreteren.
  • Bij gebruik van deze tekens in relatie tot statistiek "\< \> + = - * x" gebruik je altijd een spatie ervoor en erna. Dus "p < 0,05" en niet "p<0,05"
  • Alle niet Griekse statistische letters moeten schuin gedrukt worden afgebeeld
  • Niet significante waardes worden aangeduid met de afkorting ns.
  • N staat voor de totale steekproef, n voor een selectie, bijvoorbeeld
Tabel X: opbouw steekproef
MannenVrouwenTotaal
(n = 220)(n = 180)(N = 400)
  • Beschrijf bij elke tabel waarin u data rapporteert welke statistische toetsen u heeft uitgevoerd. Hierbij horen ook post-hoc analyses, indien uitgevoerd.
  • Gebruik niet teveel cijfers achter de komma. Meestal volstaat 2 cijfers achter de komma (behalve bij p-waardes).
  • Het woord data is meervoud, zeg dus "data zijn" en niet "data is".
  • Tabellen en figuren worden doorgenummerd in het hele rapport en dus niet tabel 4.1 bij paragraaf 4.1 et cetera.

5 Conclusies

Hier interpreteer je de resultaten. Wat betekenen de resultaten uit het vorige hoofdstuk nou voor de theorie en praktijk?

Hier beantwoordt u de onderzoeksvragen (eerst de subvragen, dan de hoofdvraag) en / of hypotheses.

Tevens toetst u de resultaten aan de theorie, is dat wat gevonden is nu in lijn met die theorie of is het erg verrassend? In het laatste geval zal de onderzoeker ook met verklaringen komen, hoe kan dat?

INDELING VAN DE LAATSTE HOOFDSTUKKEN
Afhankelijk van het lezerspubliek, de opdrachtgever, de resultaten en de voorkeur van de onderzoeker kunnen de laatste hoofdstukken anders ingedeeld worden. Meestal komen deze onderwerpen aan bod:
  • Conclusie (interpretatie van de resultaten)
  • Aanbevelingen (vertaling naar toekomst)
  • Limitaties / Discussie (kritische reflectie op het onderzoek)
Bij rapporten met weinig nadruk op Aanbevelingen
  • Conclusies & Aanbevelingen
  • Discussie
Bij rapporten met een persoonlijke reflectie
  • Conclusies
  • Aanbevelingen
  • Discussie & Reflectie
Kijk ook wat binnen de organisatie (of de opleiding) de eisen zijn en wat gebruikelijk is.

6 Aanbevelingen

Praktische aanbevelingen hoe de opdrachtgever nu verder moet. Deze kunnen verschillende niveaus van uitwerking hebben.

7 Discussie / Limitaties

In dit hoofdstuk kunnen de limitaties van het onderzoek aan bod komen. Soms wordt dit hoofdstuk ook Discussie genoemd.

Voor de hand liggen bespiegelingen op het meetinstrument (betrouwbaarheid, validiteit), de steekproef, analyses, beperkte budgetten of tijd.

Referenties

Hier staan de referenties. Er bestaan verschillende referentiestijlen. Voor sociaal-wetenschappelijke onderzoeksrapporten is de APA-stijl het meest gebruikt.

ALLE referenties die in de tekst staan horen ook in de literatuurlijst te staan. En andersom, ALLE referenties uit de literatuurlijst moeten ook terug te vinden zijn in de tekst. Het uitgangspunt is dat je altijd moet proberen om terug te gaan naar de auteur als bron.

Voorbeeld referentiestijl artikel:
De Vries, J. K., Vos, F. L. K., & Hoven, J. (2010). References in APA style. Journal of Fake Studies, 23, 123-128.

Voorbeeld referentiestijl boek:
De Vries, J. K., Vos, F. L. K., & Hoven, J. (2010). References in APA style is de boektitel. Amersfoort: Onbestaande uitgeverij.

Bijlagen

In de bijlagen staan in ieder geval

BIJLAGE 1: TITEL

BIJLAGE 2: TITEL


Download
Voorbeeld
Rapport










Goedkope Luiers
ContactPrivacy Policy